Een luchtig stukje

22:42 in STUKJES by Jasper

Het leven is zinloos. Alles is kut. Niemand houdt van me. Mijn vrienden bellen me nooit, ik moet altijd hun bellen. Ik blijf mijn hele leven lang alleen. Ik ben dan ook een miserabele sukkel. Een zak hooi. Het is terecht dat ik alleen blijf. Ik zou ook niet met mij het leven willen delen. Helaas is dat wat lastig. Godzijdank heb ik mijn optimisme nog. Als ik ook nog zelfmedelijden zou hebben, was het helemaal treurig. Gelukkig maar, toch nog een meevallertje.

Ik had haar. In mijn armen. In mijn bed. Heb haar geroken. Haar geproefd. Haar genomen en zij mij. Ik zag het al toen ze voor het eerst de trap af kwam lopen. Dit is bijzonder. Bij elke keer werd het duidelijker. Dit is het dan. Klaar. Huisje kopen, kindertjes nemen, op zondag naar de schoonouders en rondzwerven door verlaten streken in de wereld. Als zij maar bij me is, heb ik mijn wereld, mijn sterren, mijn hemel, mijn alles. Ik heb geen eten nodig, geen drinken, niks. Toen ze na de tweede date zei dat ze twijfels had, had er een belletje moeten gaan rinkelen.

Dat ging er niet. Ik zag alleen haar stralende lach, haar glimmende ogen en dat ze zo godvergeten lief was. Heb ik weer. Verblind door liefde. Ik kreeg energie, plannen, zin in het leven, het gras was groener, de lucht blauwer. De cliches mogen bekend verondersteld worden. Na de vijfde date zei ze gevoelens te hebben voor een ander. Maar toen hadden we al wel seks gehad. En ze kon niet ontkennen dat dat godvergeten lekker was. Zo heb ik het tenminste onthouden. Gun mij ook een pleziertje. Ik heb het nodig. Ik wist haar te overtuigen om nog een keer afscheidsseks te hebben. Gelukkig heb ik geen bord voor mijn kop. Dan was het pas echt naar geworden.

Door een speling van het lot kreeg ze buikpijn. Erge buikpijn. Moest ze naar het ziekenhuis. Moest ze geopereerd worden. Een zegen van boven. Niet dat ik kick op vrouwen met pijn. Maar het gaf me de kans mijn zorgzame kant te tonen. Ik ben nogal een doetje. Zo’n jongen waar je fijn mee kunt praten. Dus mijn zorgzame kant is nogal sterk ontwikkeld. Ik hield haar handje vast. Haalde haar spulletjes van huis. Zegde werk af om bij haar te zijn. En we deden alsof het lot ons een handje had geholpen. We waren nader tot elkaar gebracht en alles was goed. Huisje, boompje, beestje. Enfin. Als ze straks maar niet meer die twijfels krijgt, dacht ik nog. Dat zou vervelend zijn.

De lucht straalde. Ik zag haar verblindende lach, ze zong liedjes in mijn oor en ze was nog steeds zo godsgruwelijk lief. Voor mij ook. Dit is speciaal, bijzonder, kan nooit meer stuk. Beetje jammer van die knoop in mijn maag. En dat ik nog steeds denk dat ze twijfelt. Maar daar moet je niet teveel aan denken. Ga uit van eigen kracht. Had ik al gezegd dat ik zo optimistisch ben van nature? We gingen zeilen. Met haar broer en zus. En aanhang! Ikea, we komen eraan! Het leven werd nog mooier, de lucht nog blauwer, het gras groener en meer van zulks. Tot het bewolkt wordt. De lucht sneller dichttrok dan je “boe” kan zeggen. En dat kan vrij snel.

Die twijfels dus. En die gevoelens voor een ander. En dat ze dus met mij niet verder kon. Dat ze het heel leuk vond als ze bij me was, maar me niet miste als ik er niet was. Ik was liever door een oud vrouwtje van tachtig met rollator tegen de grond gehoekt ten overstaan van al mijn vrienden. Ik heb toch niet zoveel vrienden. En ze bellen ook al niet. Dus dit was nogal pijnlijk. Ik slaak regelmatig een zucht van verlichting dat ik vrij stevig in mijn schoenen sta. Geheel en al in balans ben met mezelf. En niemand nodig heb om mijn geluk te bewerkstelligen. Als ik nou ook nog wanhopig was, had het er een stuk minder plezierig uit gezien.

Alleen dus. In mijn eentje. Maar ik heb mijn positieve instelling nodig. Ach, ik worstel dan een beetje met mezelf. Heb mijn vaste waarden en patronen overhoop gegooid en ben alles wat ik doe kritisch aan het bekijken. En misschien wat minder lol in het leven enzo. Maar hebben we dat allemaal niet zo af en toe? Als ik nou ook nog eens lichtelijk labiel was en telkens om niks zou moeten huilen. Van die hartverscheurende, eruit knallende huilbuien waarvan je niet weet waar ze vandaan komen. Ja, dat was wel even schrikken geweest. En dan was ik een mietje geweest. Nee, het leven is mooi. Laat morgen maar komen. En overmorgen ook trouwens. Een beetje snel graag.

Laat het volgend jaar zijn als ik hier schamper lachend op terugkijk. Vol verwondering mijn hoofd schud over zoveel cynisme. De zwartgalligheid en het verdriet van het papier zie druipen, maar het niet meer kan voelen. Als ik dan met mijn tweede-keuze-meisje op de bank hang, gezellig samen naar Lotto Weekend Miljonairs kijkend, op RTL 4, want Tien is er ook niet meer. Dan ben ik weer gelukkig. Ik heb in ieder geval nog doelen in mijn leven. Weet mezelf nog uitdagingen te stellen om na te leven. En ik heb mijn zelfkennis nog. Goede wapens in de strijd die leven heet.

Ik vind het ook fijn dat ik lekker luchtig door het leven hobbel. Je zou maar zwaar op de hand zijn. En ik ben zo stabiel. Weet met mijn ratio het gevoel altijd goed onder controle te houden. Ja, het is fijn om mij te zijn. Tsjakka! Ik denk dat ik maar eens even door een bak met glasscherven ga lopen en daarna over wat hete kolen. Dat zal me goed doen. En ik voel me al zo lekker. Man, daarna ben ik helemaal niet meer te houden. Het leven is leuk, fantastisch en mooi! En iedereen houdt van me. Zoveel dat ze me de ruimte gunnen om hun te bellen. Heerlijk, ze kennen me echt goed.